Managed hosting door True

Grove: paranoia en processoren

Voormalig ceo gaf Intel zijn drang tot waakzaamheid mee

 

Andrew Grove staat te boek als mede-oprichter van Intel, maar hij kwam eigenlijk net ná de oprichting aan boord. De topman heeft wel sterk zijn stempel gezet op de hedendaagse processorproducent.

Peetvaders van de IT
Er lijkt een heuse wisseling van de wacht op gang te komen in de ict. Het zijn vaak de oprichters van smaakmakende bedrijven die langzaam maar zeker een stapje terug doen. Ze dragen met recht en eer de geuzennaam peetvaders van de it. Computable schildert de portretten van deze generatie it-avonturiers.
 
Alle afleveringen:
  1. Charles Wang
  2. Scott McNealy
  3. Larry Ellison
  4. Steve Jobs
  5. Ray Ozzie
  6. Lew Platt
  7. Hasno Plattner
  8. Jerry Sanders III
  9. Robert Metcalfe
  10. Tom Siebel
  11. James Goodnight
  12. John Chambers
  13. Marc Andreessen
  14. Mike Ruettgers
  15. Eckard Pfeiffer
  16. Ross Perot
  17. Tim Berners-Lee
  18. Michael Dell
  19. Louis Gerstner
  20. Andrew Grove
  21. Bill Gates


Intel begint namelijk niet in processoren, maar in geheugenchips. Dat zijn weliswaar beide chips, maar onderzoek en ontwikkeling, marketing en afzet verschillen nogal. De overgang van die ene naar die andere markt heeft nogal wat voeten in de aarde. Intel wil niet echt, maar moet wel. Daarbij blijkt Grove één van de grote, sturende invloeden die zich een waardig leider toont. Niet een ideale baas die zijn mensen ten koste van alles beschermt, maar ook geen blinde manager die alleen maar snel wil schakelen.
De van oorsprong Hongaarse Jood Andris Grof is namelijk iemand die zich terdege bewust is van het feit dat bedreigingen vanuit het niets kunnen opduiken én dat het van belang is dan vooral op het juiste moment te reageren. Dat laatste is de rode draad door de carrière, zo niet het leven van Grove.

Vluchten

Zijn levensloop is namelijk nogal woelig, om het mild uit te drukken. Eerst overleeft hij met zijn armlastige Joodse familie met moeite de Tweede Wereldoorlog, onderduikend en onder valse naam de concentratiekampen ontlopend. Daarna komt de volgende bedreiging: Sovjet-Rusland. In 1956 bezetten communistische troepen Budapest. De Sovjet-Unie pikt de Hongaarse zelfstandigheid niet en neemt de touwtjes in handen. De Hongaarse Revolutie is een feit en het Russische leger is bezig jongemannen op te pakken, om te ronselen of om te interneren. De twintigjarige Andris ontvlucht het land, op aandringen van zijn familie, en weet na een uitputtende tocht de Oostenrijkse grens te bereiken.
In Wenen weet de jongeman aanspraak te maken op vluchtelingenhulp en uiteindelijk door te reizen naar de Verenigde Staten. Hij verandert zijn naam in Andrew Grove en verblijft in New York City, bij een familielid. Hij zet zijn studie chemical engineering voort, die hij is begonnen aan de universiteit van Budapest, aan het City College van de Amerikaanse stad.
Ietwat teleurgesteld, zoals hij jaren later toegeeft in interviews, slaagt hij daar magna cum laude. Teleurstelling jawel; hij mikt op summa cum laude, maar mist dat door een 'C' voor Engelse les. Niet eens door slecht Engels vanuit zijn Hongaarse afkomst, maar doordat hij inhoudelijk niets dan gebakken lucht ziet in de liberale kunstdiscussies die tijdens de Engelse lessen worden gevoerd. De 'C' en de daardoor getorpedeerde 'summa' verrassen hem. Andrew houdt niet van verrassingen en neemt zich voor harder te streven en beter op te letten. Waakzaamheid is het devies.

Andrew Grove

1936Geboren in Budapest (Hongarije)
1956Vlucht uit Hongarije na de Hongaarse Revolutie en komt via Wenen (Oostenrijk) in januari 1957 de Verenigde Staten binnen. Verandert zijn naam van Andris Grof in Andrew Grove.
1957Hervat zijn studie scheikunde, nu aan het City College te New York City.
1960Slaagt magna cum laude aan City en verhuist naar Californië voor de studie toegepaste natuurkunde aan de Berkeley-universiteit.
1963Treedt direct na zijn afstuderen in dienst bij Fairchild, voornamelijk vanwege de diepe indruk die Gordon Moore op hem maakt tijdens een sollicitatiegesprek.
1967Wordt assistent-directeur van de onderzoeks- en ontwikkelingsafdeling van Fairchild.
1968Stapt over naar het zojuist opgerichte chipbedrijfje N-M Electronics (naar de achternamen van oprichters Noyce en Moore), dat eind dat jaar wordt omgedoopt in Intel.
1971Intel komt met zijn eerste microprocessor (de 4004).
1975Wordt uitvoerend president, meeschuivend met Moore en Noyce die de posities van respectievelijk president en voorzitter van de directieraad op zich nemen.
1978De 8088-processor wordt uitverkoren door IBM voor diens microcomputer: de personal computer (pc).
1979Stoot door van uitvoerend president naar president.
1985Intels processoractiviteiten komen met de 386-chip op gang en overvleugelen de geheugenchipproductie, die onder zware druk staat van de Japanse concurrentie.
1986Grove heeft ruim negenduizend ontslagen doorgevoerd en Intel uit de geheugenmarkt gestuurd. Processoren zijn de koers voorwaarts.
1987Krijgt naast zijn presidentschap ook de functie van ceo.
1994Het bedrijf slaat een slecht figuur met de rekenfout in de Pentium-processor, vooral door het aanvankelijke ontkennen. Grove krijgt tot zijn verbijstering te maken met computergebruikers, die immers niet Intels klanten zijn.
1997Zijn titel- en functieverzameling krijgt nog een toevoeging: voorzitter van de directieraad.
1998Treedt terug als ceo, maar blijft aan als voorzitter.
2003Opent in juli samen met Moore de festiviteiten voor het 35-jarige bestaan van Intel. De oud-topmannen begraven samen met huidige leiders Craig Barrett en Paul Otellini een tijdcapsule met hedendaagse Intel-technologie.
Scheikunde boeit Grove nog wel, maar hij wil er een praktische draai aan geven, mede met het oog op toekomstige kansen op banen. Hij verhuist naar Californië om daar aan de Berkeley-universiteit toegepaste natuurkunde, vloeistofdynamiek, te studeren.

Moore en mentor

Direct na zijn afstuderen aan Berkeley in 1963 doet Grove een reeks sollicitatiegesprekken bij zo'n twintig bedrijven die hem wel interessant lijken. Hij spreidt zijn kansen. Het wordt - met voorsprong - de roemruchte halfgeleiderdivisie van Fairchild. Wat de ambitieuze jongeman aantrekt is de persoonlijkheid van Gordon Moore. Die techneut heeft een gesprek met sollicitant Grove en maakt een diepe indruk op de ambitieuze jongeman.
Fairchilds chiptak was eind jaren vijftig en begin jaren zestig hét centrum van de chipontwikkelingen. Grove werkt begin jaren zestig bij Fairchild, wat mede is opgericht door Moore en Robert Noyce. Jawel, dezelfde mannen die in de lente van 1968 Intel oprichten. Grove komt meteen hierna aan boord, daartoe overgehaald door de betrokkenheid van Moore die bij Fairchild zijn lichtend voorbeeld en mentor was. Grove, later topman en uiteindelijk zelfs peetvader van Intel - is dus eigenlijk werknemer nummer één. Hij is aanvankelijk dan ook de loopjongen, het manusje van alles.
De mannen voeren tezamen het bedrijfsplan van Noyce en Moore uit om geïntegreerde geheugenchips te produceren en wel voor diverse soorten computersystemen. Dat was voor die tijd zowel technisch als marketingewijs een noviteit. Eerstgenoemde slaat op de integratie van transistoren om tot een geheugenchip te komen. Het tweede slaat op de dwarsdoorsnede-benadering die Intel hiermee gelijk doorvoerde; in de ict-industrie was verticale integratie lange tijd de norm. Een computerbedrijf leverde zijn eigen complete systeem met alle verticale componenten: onderdelen, processoren, opslag, besturingssysteem, applicaties, enzovoorts.
Grove ziet wel wat in deze aanpak, in tegenstelling tot de reguliere chip- en computerleveranciers die zich dan ook laten verrassen door deze plots opduikende bedreiging. Doordat Andrew zijn leven lang al voor, achter en opzij kijkt is hij op zijn hoede voor verrassingen en weet bedreigingen door anderen goed in te schatten.

Overleven

Grove predikt dan ook voortdurende waakzaamheid, zeker voor managers. Zijn management-handboek heet niet voor niets 'Only the paranoid survive'. In dat boek legt de Intel-topman zijn theorie van strategische omslagpunten uit. Zo'n strategic inflection point is het moment waarop een grote verandering zich voordoet voor een organisatie. Dat kan een verandering zijn in de markt, in de concurrentie, in de technologie. Kortom: de bedreiging kan van alles zijn en uit elke richting komen. "Vroeg of laat zal er iets fundamenteels veranderen in je bedrijfswereld", waarschuwt hij.
Andy Grove is zeker geen echte paranoia-lijder. Hij is een paranoia leider. Eentje die weet dat h�j de juiste actie op het juiste moment moet doorvoeren in reactie op een zich opdringende verandering. En dat de timing cruciaal is: te vroeg is fout, te laat ook. Beide fouten kunnen je bedrijf, en jezelf, de kop kosten. Hij deelt deze kennis ook als assistent-docent aan de Graduate School of Business van de vermaarde Stanford-universiteit middels een cursus strategisch management.
Intel maakt onder Grove diverse omslagpunten mee, waarvan de grootste wel de overgang van geheugenchips naar computerprocessoren is. Tegen het einde van 1984 rukt de Japanse chipindustrie op. Eerst werd dat nog weggewuifd, ook door Intel, als zijnde slechts imitatieproducten, afgeleid van het echte Amerikaanse werk. Begin 1985 wordt echter pijnlijk - en financieel - duidelijk dat de Japanners weten wat ze doen én dat ze de Amerikaanse 'originelen' voorbijstreven. De prijzen voor geheugenchips zakken met een factor tien in. Intels fabrieken kunnen dat niet bijbenen.
Topman Grove besluit het roer om te gooien. Vanwaar is duidelijk, maar waarheen dan? Intel produceert al jaren processoren, maar dat is officieel slechts bijzaak. In de praktijk groeit Intels productie van cpu's gestaag en delen fabrieksmanagers al stiekem wat meer capaciteit in voor de fabricage van dat winstgevende product.
Dit ontdekt Grove tot zijn verbijstering wanneer hij het eigen bedrijf doorgaat op zoek naar wijzigingsmogelijkheden om te reageren op de commerciële afslachting door de Japanse geheugenproducenten. Processoren zijn op dat moment echter zeker geen vetpot, laat staan een grote markt. Toch besluit Grove de koers drastisch te wijzigen, wat hem de nodige interne tegenstand oplevert. Uiteindelijk is deze omslag de redding voor Intel.

De Pentium-fout

Een ander strategisch omslagpunt, dat Grove zijn leven lang bijblijft, is het Pentium-debacle. Intel zet in de herfst van 1994 een grote stap voorwaarts met zijn eerste Pentium-processor. Die chip draagt overigens een naam omdat daar wel een handelsmerk van is te maken, in tegenstelling tot aanduidingen als '386' en '486' die rivaal AMD dan ook hanteert voor diens concurrerende processoren. De Pentium blijkt echter een fout te bevatten. Wiskundige Thomas Nicely onderzoekt de distributie van priemgetallen en ontdekt dat de nieuwe, snellere processor foute resultaten geeft op bepaalde berekeningen (delingen) met zwevende komma's.
Intel - en Grove zelf - reageren aanvankelijk gezapig: de fout treedt alleen op bij bepaalde rekensommen onder zeer beperkte omstandigheden. Het gros van de pc-gebruikers krijgt hier nooit mee te maken, luidt de boodschap. Dus terugroepen en vervangen hoeft niet. Dat dénkt de chipfabrikant. Dankzij de vliegwielwerking van Internet en de pers krijgt de kwestie echter een gigantische omvang: gebruikers zijn boos, pc-producenten zien hun afzet spaak lopen.
Het verbijsterende feit dat pc-gebruikers zich opwinden over een component in de machine geeft Grove het inzicht zijn bedrijf voortaan ook op die eindgebruikers te richten. Formeel gezien zijn die namelijk niet Intels klanten, dat zijn immers de pc-producenten. De marketing mikt voortaan op twee groepen. De bekende Intel Inside-campagne is hier een duidelijk voorbeeld van.
Overigens heeft dit omslagpunt ook veel ict-moppen opgeleverd. 'Hoeveel Pentium-ontwerpers zijn er nodig om een lamp in te draaien? 1.99995827903 , maar dat is accuraat genoeg voor niet-technische mensen.' Belangrijker dan de blamage is echter de les die Grove en Intel eruit trekken.

Diepe invloed

Sinds het geleidelijke terugtreden van Andrew Grove als leider lijkt Intel die wijze lessen soms te vergeten. Dat is echter schijn: achter de schermen viert de 'paranoia' hoogtij. Zo moet anno 1998 de veelgeroemde 64-bit processor, codenaam Merced, de Pentium III opvolgen. Toch wijdt het bedrijf een apart, alternatief ontwikkelteam aan wat later de Pentium 4 is. De processor die de afzet redt wanneer de Merced maar blijft uitlopen. De 64-bit chip, productnaam Itanium, komt pas in 2001 op de markt en valt bovendien nogal tegen.
Hetzelfde verhaal gaat rond 2000 op voor de door Intel beoogde geheugenstandaard van de toekomst: Rambus. De Pentium-producent vaart de ene koers, maar houdt de andere wel in de gaten. Analisten argumenteren dat het omslagpunt in dit geval niet tijdig is genomen. Feit blijft dat Intel die fout grotendeels weet te compenseren.
Vervolgens zit het bedrijf rond 2003 met de omslag naar semi-64-bit. Concurrent AMD ziet een gat tussen 32- en 64-bit en biedt daarvoor een 32-bit processor met 64-bit uitbreidingen. Intel houdt officieel koers. Geruchten dat het zelf een soortgelijke, zelfs AMD-compatibele processor ontwikkelt, gaan al geruime tijd rond en blijken dit jaar bewaarheid. Grove's invloed zit diep in de genen van Intel.< BR>

Dit artikel is afkomstig van Computable.nl (https://www.computable.nl/artikel/1375954). © Jaarbeurs IT Media.

?


Lees meer over


Partnerinformatie
 
Vacatures

Stuur door

Stuur dit artikel door

Je naam ontbreekt
Je e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×