Managed hosting door True

Programmerende schooljongens leggen fundament voor software-imperium

Het zilveren jubileum van een gouden greep

 

Nagenoeg het gehele software-imperium Microsoft is opgebouwd op basis van enkele duizenden dollars. Dat schamele bedrag legden Bill Gates en de zijnen namelijk op tafel om een eenvoudig besturingssysteempje te kopen dat zij uitbouwden tot MS-Dos, het dominante PC-platform waar het schier alom tegenwoordige Windows op voortborduurt.

Zilveren Microsoft
Microsoft bestaat vijfentwintig jaar. Er zijn weinig bedrijven die zo'n zwaar stempel hebben gedrukt op de ontwikkelingen in de ICT als de softwarereus uit Redmond. En die zo omstreden zijn. Reden genoeg om er een bijzondere uitgave van het achtergrondkatern aan te wijden, inclusief de:
 
Tijdbalk 25 jaar microsoft
 
Tegenwoordig is de Microsoft-topman de rijkste persoon ter wereld. Nagenoeg iedereen heeft een oordeel over hem en zijn bedrijf, of dat nu gebaseerd is op afgunst, bewondering, jaloezie of afkeer. Een overzicht van Microsoft bestaat voor een groot deel onvermijdelijk uit de geschiedenis van mede-oprichter William Henry Gates III. Niet dat hij het software-rijk met alleen zijn eigen handen heeft opgebouwd, maar zijn karakter heeft wel duidelijk de interne cultuur en externe houding van de dominante softwareleverancier gevormd.
Microsoft is in 1977 opgericht, maar het ontstond eigenlijk al in 1975. Gates schoolvriend Paul Allen zag op de omslag van het blad Popular Electronics een foto van 's werelds eerste computer die betaalbaar was voor individuen. De naam: Altair. De 22-jarige programmeur, die een baantje had bij mainframefabrikant Honeywell, rende meteen naar medetechneut Gates. Die 19-jarige knaap zat in zijn tweede jaar rechten aan de Harvard-universiteit en speelde daar veel poker met zijn kamergenoot, een zekere Steve Ballmer. Allen verstoorde een pokersessie en riep tegen Gates: hier is een bedrijf dat software nodig heeft, onze software! De jonge Bill gaf de studie eraan om samen met Allen programmatuur te ontwikkelen. De twee hadden dat al eerder gedaan, maar deze keer zou het daadwerkelijk wat worden. Gates zou winnen.

Privéschool

In zijn jeugd was kleine Bill daar al veel mee bezig. Hij was niet geïnteresseerd in het beoefenen van sport of spel, maar in het winnen daarvan. Dat streven kreeg hij met de paplepel ingegoten van zijn carrièregerichte ouders. Zijn vader - William Henry Gates II - was een invloedrijke bedrijfsjurist terwijl zijn moeder - Mary Gates-Maxwell - posities bekleedde in de bestuursraden van een grote bank en een telecombedrijf. Daarnaast was moederlief via dergelijke posities bekend met IBM-president John Opel, dezelfde topman die enkele jaren later besloot MS-Dos mee te leveren bij de eerste, oorspronkelijke IBM Personal Computer (PC).
Zijn ouders besloten het intellect van hun kind te stimuleren door hem in aanraking te brengen met andere, slimme kinderen, vanzelfsprekend van welgestelde komaf. William II en Mary vonden een openbare school toch te gewoon voor hun intelligente kind en stuurden de latere multimiljardair naar de dure en zeer exclusieve privéschool Lakeside. Het toelatingsgeld bedroeg in 1967 maar liefst 5000 dollar, terwijl de bekende Hardvard-universiteit toentertijd 'slechts' 1760 dollar van zijn studenten verlangde.

Contact met computers

Eind jaren zestig maakten de schoolgaande jongens kennis met het fenomeen computer. Direct gefascineerd, wilden zij toegang hebben tot een 'eigen' apparaat. Dus werden de ouders de oren van het hoofd gezeurd tot de moeders een liefdadigheidsbijeenkomst organiseerden om de Lakeside-school te kunnen voorzien van een computer. Vergeet niet dat dit het tijdperk was waarin alleen grote bedrijven een computer konden aanschaffen en huisvesten. Mainframes namen wel een verdieping in beslag en de moderne zogenoemde minicomputers pasten in een forse kamer.
Lakeside kreeg dan ook geen eigen computer, maar een terminal met verbinding naar een echte computer. Die machine bevond zich in het pand van een bedrijf dat klanten tijd verhuurde op zijn systeem. De computer in kwestie was een Mark II van General Electric die later werd vervangen door een PDP-10 van de bekende minicomputerfabrikant Digital Equipment Corporation (DEC, inmiddels overgenomen door PC-fabrikant Compaq). Computerwetenschappers en hoogleraren aan de prestigieuze Stanford-universiteit en het MIT (Massachusetts Institute of Technology) gebruikten datzelfde type machine om hun werk te doen. Niet echt kinderspeelgoed dus.

Over de schouder meekijken

De jonge Bill Gates was meteen gevallen voor de computer. Een apparaat dat je opdrachten kon geven die het uitvoerde, mits je geen fouten in de programmering had gemaakt. Dat was pas een uitdaging voor zijn scherpe intellect. Tijdens lange uren achter het omvangrijke toetsenbord van de teletype-terminal met de ratelende printer ernaast, werd Gates wel eens gestoord door ouderejaars Paul Allen. Die slimme jongeman wilde ook gebruik maken van de terminal. Maar computers waren toen al moeilijk los te laten, dus waren Allen en Gates afwisselend veroordeeld tot het over de schouder meekijken bij elkaar of bij andere nieuwsgierige leerlingen. Geleidelijk aan kregen de twee in de gaten dat de ander meer was dan alleen een obstakel in het felbegeerde gebruik van de PDP-10. De ontdekkingsreis door de ingewanden van de computer werd allengs meer en meer samen afgelegd.
Dit alles speelde zich af nog ver voor het ontstaan van de PC. Computers van dit tijdperk waren opgebouwd uit grote, breekbare radiobuizen en besloegen daardoor vele kubieke meters. Deze dure, mysterieuze machines werden alleen begrepen en bestuurd door de toegewezen technici. Middels het overhalen van schakelaars werden gegevens moeizaam ingevoerd op machinetaalniveau, bestaande uit enen en nullen. Computerexpert Grace Hopper kwam met het idee van een tussenlaag op de proppen. Dankzij zo'n programmeertaal waren instructies deels in het Engels in te voeren. Deze ontwikkeling gaf mensen meer controle over computers.

Gezocht: technologische doorbraak

Toch was dit nog ver verwijderd van het gemak en de individualiteit van echt persoonlijke computers. Daar was een technologische doorbraak voor nodig. En dat was de microprocessor, een speciale chip die meerdere transistors in zich verenigde. Uitvinder Intel zag er echter weinig brood in. De curieuze vinding was hoogstens goed voor elektronische stoplichten en rekenmachines, niet al te krachtige apparaten met een relatief kleine omvang.
Ironisch genoeg was het juist een rekenmachinefabrikant die enkele jaren later mogelijkheden zag in de microprocessor. Anno 1974 gleed rekenmachinemaker MITS naar de rand van de afgrond. Uit wanhoop ontstond iets nieuws. Een 8080-microprocessor belandde met wat andere chips op enkele printplaten in een rechthoekige kast. Dit allegaartje elektronica werd aan de man gebracht als een computer voor individueel gebruik. De futuristische naam van dit bizarre product: Altair.
Die eerste voor individuen betaalbare computer was al gauw razend populair; een maand na de lancering stroomden er bij MITS 250 bestellingen per dag binnen. En dat voor een bouwpakket, dat meestal niet eens goed werkte na assemblage door de dolgelukkige eigenaar. Bovendien was de Altair een crime om te gebruiken; de bediening geschiedde door het overhalen van schakelaars, die inderdaad machinetaal invoerden. De computer had in eerste instantie geen opslagmogelijkheden. Het maken van een foutje vereiste dan ook tot het helemaal opnieuw invoeren van de programmatuur. Verder had de Altair geen aansluitmogelijkheden voor toetsenbord, monitor of andere moderne, nu alledaagse dingen. Tot overmaat van ramp bestond er ook geen software. Het ding was dus eigenlijk nergens goed voor.

Taal en teken

Het technische speeldingetje van MITS was zelfs voor de enthousiaste hobbyisten en elektronicafreaks behoorlijk onvriendelijk in het gebruik. Er was een programmeertaal nodig om de programma-invoer eenvoudiger te maken. Helaas waren alle computerwetenschappers ervan overtuigd dat zelfs een eenvoudige taal als Basic nog te complex was om te draaien op zoiets nederigs als de Altair. Paul Allen wist echter niet wat de experts hadden verklaard. Hij had compaan Bill Gates het blad Popular Electronics onder de neus gedrukt en de twee waren gewoon aan de slag gegaan.
Klein probleempje was het feit dat Altairs nauwelijks te verkrijgen waren, enerzijds door de relatief hoge prijs en anderzijds door de gebrekkige productiefaciliteiten van MITS dat werd overspoeld door bestellingen. Dus ontwikkelde Allen op de PDP-10 minicomputer van de Harvard-universiteit een emulator voor de Intel-microprocessor. Daarop zouden de begeesterde jongens een uitgeklede versie van Basic ontwikkelen voor de Altair. Wegens tijdgebrek werd Gates studiegenoot Monte Davidoff geronseld om bepaalde elementaire onderdelen van Basic te implementeren op die virtuele machine. Overigens is die vroege medewerker van het latere Microsoft afgegleden in de anonimiteit.

Vijfentwintig jaar groei van de omzet en het personeelsbestand van Microsoft.

Toen het project zijn voltooiing naderde, namen Allen en Gates contact op met MITS om een demonstratie van hun software te geven. Het duo besloot dat de oudere Allen maar naar de computerfabrikant moest gaan om de afgesproken demo te geven. Niemand wist of hun software echt zou werken, want geen van de ontwikkelaars had zelfs maar een Altair aangeraakt.

Het werkt!

De volgende ochtend nam Allen het vliegtuig naar Alberquerque en zag daar voor het eerst in zijn leven een heuse Altair staan. Hij laadde de Basic-interpreter vanaf de papieren ponsband die hij had meegebracht. MITS had namelijk niet zomaar een Altair klaarstaan, maar een luxe uitvoering met ponsbandlezer. Allen voerde vervolgens het commando in om te zien hoeveel geheugen er nog vrij was. Het apparaat gaf netjes aan hoeveel bytes er nog beschikbaar waren. De demonstratie was gelukt. Allen belde Gates en vertelde hem dat hun breinspinsel echt werkte! In een keer! En nog snel ook!
Bill verliet meteen de universiteit, bang om zijn kans in de toekomstige computermarkt te missen. Samen met Allen vertrok hij in 1975 naar Albuquerque. Daar namen zij hun intrek in een appartementje van het Sundowner Motel, middenin de rosse buurt. In die kleurrijke omgeving woonden en werkten zij samen met enkele schoolvrienden die zij hadden gevraagd te komen helpen. Het werk werd uitgevoerd op een strikt 'dieet' van pizza en cola, begeleid door loeiharde acid-rockmuziek.
Het appartementje werd gevuld met langharige, ongeorganiseerde jongeren die alleen maar aan programmeren dachten. Ze verrichtten hun werk niet volgens een negen-tot-vijf-klok en zelfs niet volgens een 24-uursklok. De computerverslaafde jongens werden wakker en programmeerden tot ze er bij neervielen. Soms letterlijk: Bill sliep geregeld op de vloer van de 'softwarekamer', papieren stroken met code nog in zijn handen geklemd. Wanneer ze honger hadden, reden ze naar een of ander 24-uurs eettentje. Tijdens het naar binnen proppen van de meestal vette hap werd er gepraat over programmeren. Natuurlijk. Soms kregen de knapen briljante invallen waardoor het eten werd vergeten en er weer verder werd geprogrammeerd. Vaak begon Bill bij een inval als een razende code te krabbelen op alles wat maar beschrijfbaar was, meestal de papieren servetjes van de eettent waar ze dan waren.
Deze nerds deden dit gewoon voor de lol, terwijl ze stilletjes fantaseerden dat de microcomputer een succes zou worden. En wonder boven wonder gebeurde dat nog ook. Een complete industrie ontsprong rondom de Altair. Enthousiastelingen knutselden monitors, toetsenborden, ponsbandlezers en nog veel meer toevoegingen. Tegen het einde van 1975 waren er enkele tientallen bedrijfjes die microcomputers maakten. En natuurlijk schreven mensen ook eigen software: tekstverwerkers, spelletjes en boekhoudprogrammaatjes. Een van die vroege leveranciers ontstond uit het samenwerkingsverband tussen Gates en Allen, dat inmiddels de officieuze naam Micro-soft droeg.

Apple

De volgende groeifase voor de softwarefirma ontkiemde in april 1976 op de Homebrew Computer Club aan de Stanford-universiteit. De verlegen techneut Steve Wozniak en de visionaire Steve Jobs richtten samen Apple op. Zij hadden net hun middelbare school afgerond en waren trouwe bezoekers van de clubmiddagen. Technisch genie 'Woz' had zijn eigen computer ontworpen, die hij stukje bij beetje opbouwde tijdens de bijeenkomsten van de Homebrew-club. Zijn schepping was de tijd ver vooruit. Hippie-kind Jobs rook zijn kans om de wereld te veranderen. Hij en Wozniak begonnen een bedrijfje om kant-en-klare computers aan de man te brengen.
Helaas was het eerste product, de Apple I, eigenlijk alleen een printplaat. Het had geen systeemkast en zelfs geen invoermogelijkheden voor eindgebruikers. Toch wist Jobs er wel vijftig van te verkopen. Er waren echter mensen die niets van hardware wisten, maar die wel een computer begeerden. En dus volgde in 1977 de populaire Apple II, een kant-en-klare machine voor software-hobbyisten die werd geleverd met programmatuur van Microsoft. Jawel.

Niemand was echt serieus

Rond deze tijd waren MITS en Microsoft uit elkaar aan het gaan. Het nu officieel geregistreerde privé-bedrijfje van Gates en Allen leverde het nuttige Basic namelijk ook aan andere computerfabrikanten. MITS spande woedend een rechtszaak aan, maar verloor die doordat de eigendomsrechten van Altair Basic nu eenmaal bij Microsoft lagen. Het eens revolutionaire MITS was verworden tot slechts een van de vele computerbedrijfjes. Dat verval kwam mede tot uiting in het feit dat Microsoft zijn hoofdkwartier verhuisde naar Redmond (staat Washington). Daar bezette het handjevol programmeurs een verdieping in een kantorenpad. Daar werd wel de losse, hobbyistische manier van werken voortgezet, die nagenoeg alle microcomputerondernemingen van die tijd hadden. Niemand was de eerste jaren echt serieus. Het was immers gewoon leuk toeval dat het allemaal zo voorspoedig verliep. Kortom, het waren nog steeds voornamelijk hobbyisten die zich inlieten met het maken en gebruiken van computers.
De microcomputer had een zogeheten 'killer'-applicatie nodig; een toepassing die zo aantrekkelijk is dat mensen er een computer voor willen aanschaffen. Terwijl Gates en kornuiten hun Basic-uitvoering slijtten aan de diverse computerproducenten, kreeg de Apple II in 1979 de 'killer-app' voor de microcomputer. Het was Visicalc, 's werelds eerste elektronische spreadsheet, waarmee gebruikers winstprognoses op de computer konden berekenen. Dit revolutionaire programma maakte uren krabbelen met een krijtje op een bord overbodig. Managers en boekhouders waren direct verkocht. Zij konden hiermee direct andere scenario's voor winst en verlies uitproberen. Dit was ideaal voor de kapitalistische jaren tachtig.
De spreadsheet was niet alleen de 'killer-app' die microcomputers aantrekkelijk maakten voor niet-techneuten, het zorgde tevens voor de entree in de serieuze wereld van bedrijven. In dit jaar, 1979, merkte het grote, machtige IBM dan ook de nietige microcomputer op. Niet dat dit een grote markt was, of iets waar deze fabrikant van mainframes en minicomputers last van had. Maar het stond gewoon niet goed dat IBM geen volledig bereik had. Computers waren immers IBM en IBM was computers. Dit bedrijf duldde geen concurrentie en had al genoeg te verduren van de brutale minicomputerfabrikant DEC.

IBM begint aan verovering

Begin 1980 ging Apple de beurs op en maakte een financiële klapper; Jobs en Wozniak waren miljonairs. Voor IBM was dit de druppel die de emmer der onbeschaamdheid deed overlopen. De computerreus moest en zou een stuk inpikken van deze opbloeiende markt. En dus werd er in het hoogste geheim een team van serieuze, zakelijke technici samengesteld dat binnen een jaar het onmogelijke moest klaren. Namelijk het ontwerpen en produceren van IBM's eigen microcomputer. Toentertijd verliepen de zaken - zeker bij de moloch IBM - volgens een minutieus uitgestippelde planning. Nog altijd doet de historische anekdote de ronde dat het bedrijf zo bureaucratisch was dat het verschepen van een lege doos zes maanden in beslag zou nemen. Het ontwikkelen van een geheel nieuw product binnen een jaar was dus ondenkbaar.
De verantwoordelijke teamleider kwam echter op het lumineuze idee om dan maar iets samen te stellen uit reeds bestaande onderdelen. Componenten die je zo in een elektronicawinkel op de kop kon tikken. Vervolgens die chips bij elkaar zetten met wat eigen vindingen en foefjes. Goed, dat was de hardware. Nu nog een besturingssysteem vinden en wat software. IBM, onbekend als het was met de microcomputer-markt, meende dat Microsoft uitkomst kon bieden voor de softwarebehoefte van zijn topgeheime PC-project. Een afvaardiging mannen in grijze pakken reisde af naar het softwarebedrijfje dat inmiddels een kantoorpand had betrokken, maar nog steeds uit een chaotische bende jongeren bestond.
De IBM-delegatie arriveerde onaangekondigd - alles was topgeheim - en vroeg directeur Gates te spreken. Een bebrilde jongeman met ongewassen haar bracht de mannen naar een kamer met een groot bureau waarachter hij brutaalweg plaatsnam. Deze puber in vuile spijkerbroek bleek de directeur te zijn! Met schier onmenselijke zelfbeheersing lieten de geschokte onderhandelaren Gates een geheimhoudingsverklaring tekenen om vervolgens te informeren naar de mogelijke levering van Basic en een besturingssysteem voor hun machine.
Bill, die in zijn hoofd ongetwijfeld met programma's bezig was, zei onverbloemd dat de heren voor een besturingssysteem aan het verkeerde adres waren. Maar hij kon ze wel doorverwijzen naar de juiste persoon, ene Gary Kildall. Deze 39-jarige afgestudeerde computerexpert had in 1972 puur voor zijn eigen lol een programmeertaal geschreven. Die software draaide op de in april van dat jaar gelanceerde 8-bit 8008-microprocessor van Intel. In de jaren daarna was Kildall zijn eerste schepping voorbijgestreefd met een eenvoudig besturingssysteem genaamd CP/M waar anno 1980 veel microcomputers op draaiden.

Uit vliegen

Aldus reisden de IBM-mannen af naar het hoofdkwartier van Kildalls bedrijf Intergalactic Digital Research. Wat daar plaatsvond, heeft de IT-industrie voorzien van een luisterrijke mythe Naar verluidt was Killdall de deur uit om in zijn eigen sportvliegtuigje te vliegen. Mevrouw Killdall ontving de - wederom geschokte - IBM-afgevaardigden en weigerde tot hun absolute ontsteltenis de geheimhoudingsverklaring te tekenen zonder eerst te weten waar het over ging. Het document gaf IBM namelijk het recht om alles wat besproken werd te gebruiken naar eigen goeddunken. De andere partij in de gesprekken mocht en kon niets. Dus weigerde mevrouw Killdall, mede op aanraden van haar advocaat.
De IBM-groep was half murw geslagen en half verontwaardigd. Dan maar terug naar die knaap Gates, daar viel tenminste mee te praten. En dus kreeg Bill voor de tweede maal de vertegenwoordigers van IBM op bezoek. Of hij nog andere suggesties had voor een besturingssysteem. De sluwe Microsoft-directeur had inmiddels de implicaties van IBM's zoektocht laten bezinken en besloot ter plekke een potje blufpoker te spelen. Hij vertelde de afgevaardigden met een uitgestreken gezicht dat zijn bedrijf toevallig bezig was met het ontwikkelen van een eigen besturingssysteem voor Intel-processors. In realiteit had Microsoft niets van die aard, maar Bill had wel gehoord van de eenvoudige Unix-imitatie van het bedrijfje Seattle Computer Products (SCP). Nadat IBM de interesse had bevestigd, belde Gates SCP op om voor een slordige 65.000 dollar de fundamenten voor het latere MS-Dos in te kopen.
Overigens had Microsoft ook op ander vlak wat aan IBM. Door de relatie met de computerreus kwam Gates tot het inzicht dat de chaotische werkwijze bij zijn bedrijf niet langer doenbaar was. Dus werd oud-studiegenoot Steve Ballmer aangetrokken om in zijn functie als onderdirecteur klanten en partners de schijn van zakelijkheid te voorhouden. Het programmeerwerk ging echter op de oude, rommelige voet voort. Gecombineerd met wat afkijkwerk van Killdalls CP/M culmineerde dit in augustus 1981 tot de lancering van de IBM PC mét Microsofts Dos (toen nog PC-Dos geheten).

Dos-PC rukt op

Deze gestandaardiseerde machine, een nieuw begrip in die tijd, wist binnen enkele jaren veel marktaandeel te veroveren. De bekende naam van IBM liet zijn invloed gelden, want technologisch was zowel de hardware als de software niet van hoogstaand niveau. Binnen een jaar tijd had IBM de helft van de markt voor microcomputers in handen. Andere bedrijven wilden hiervan een graantje meepikken, maar het was waanzin en zinloos om het op te nemen tegen het machtige IBM. Dus waarom niet meeliften op het succes van diens PC-platform?
In 1982 beginnen drie ingenieurs het bedrijfje Compaq, de eerste fabrikant van gekloonde PC's. Deze machines werden aangeprezen als nagenoeg identiek - en dus compatibel - met de bekende IBM-PC. Microsoft speelde hier handig op in door zijn besturingssysteem ook te leveren aan Compaq en de vele andere kloonfabrikanten die volgden. IBM was boos, maar ook hier had Microsoft het eigendomsrecht aan zijn zijde. Bill had drie jaar terug namelijk de keuze gemaakt Dos niet aan IBM te verkopen - voor een fors bedrag. Nee, hij leverde de software voor een relatief schamel bedrag en ving een percentage van elke verkochte PC. Dit stelde Microsoft anno 1982 wél in staat Dos ook aan andere PC-makers te leveren. Een lucratieve markt bloeide op.
Terwijl het bedrijfsleven viel voor de oervader van de hedendaagse PC, was voorloper Apple met hele andere dingen bezig. Directeur Steve Jobs was in 1979 door een vriend rondgeleid in het later legendarische Parc-laboratorium (Palo Alto Research Centre) van kopieermachineproducent Xerox. Daar hadden geniale, maar miskende denkers een gebruiksvriendelijke computer bedacht die werd bediend door plaatjes aan te wijzen met een doosje op wieltjes. Jobs zag direct het licht en zijn bedrijf begon aan de ontwikkeling van de Lisa-computer. Die machine zou uiteindelijk een flop blijken, maar Jobs had een eigenhandig gestuurd, geheim parallelproject opgezet. De vrucht daarvan, Macintosh geheten, werd in januari 1984 onthuld en was ook voorzien van Microsoft-programmatuur.
Gates was weg van de Mac-interface en wilde zelf ook iets dergelijks. Microsoft-programmeurs begonnen aan wat later Windows zou worden. Dit systeem mocht echter niet de omvangrijke, kostbare markt van Dos aantasten. Dus werd het project aan diverse ketenen gelegd. De ontwikkeling duurde dan ook veel langer dan gepland. De spectaculaire productaankondiging van eind 1983 werd gevolgd door twee jaar relatieve stilte over Windows. Tegen het einde van 1986 kwam Microsoft met een eigen grafische systeem op de proppen, zij het dan een zeer rudimentair systeem op basis van tekst-tekens.
Het veelgebruikte MS-Dos werd voorzien van een frontje dat met een forse dosis fantasie wel wat weg had van de Macintosh-interface. Apple had dan ook al dreigend bij Microsoft op de deur gebonkt over de opvallende overeenkomsten tussen beide producten. De twee bedrijven tekenden daarop een overeenkomst die Microsoft verbood Mac-technologie te gebruiken, tenminste niet in Windows 1.0. De deur naar de toekomst stond dus open.

Kapers op de grafische kust

De PC-kloonmarkt was IBM inmiddels flink gaan tegenstaan, het was tijd dat de teugels weer strak in eigen handen kwamen. En dus begon de ontwikkeling van de volgende generatie Dos, genaamd OS/2 (Operating System 2). Dit besturingssysteem zou van IBM en IBM alleen zijn. Een deel van het werk werd uitbesteed aan Microsoft, dat hierbij de strikte richtlijnen van zijn belangrijkste partner moest volgen. Langzaamaan begon de computerreus wat te zien in het idee van een grafische schil voor besturingssystemen. Het toekomstige OS/2 moest dat ook krijgen. Die gebruiksvriendelijk laag kreeg de naam Presentation Manager en werd wederom deels door Microsoft gemaakt. De softwarepartner kreeg de officieuze opdracht te stoppen met die Windows-onzin om alle aandacht te wijden aan de IBM-opdracht.
Gates en de zijnen waren lange tijd gehoorzaam, hun zakelijk bestaan was immers grotendeels afhankelijk van IBM en diens PC. Windows was dus slechts een projectje waar enkele programmeurs aan knutselden. In juni 1986 haalde Microsoft voor anderhalf miljoen dollar aan aandelen een klein bedrijfje binnen dat naast enkele briljante programmeurs ook een snel en klein grafisch systeem had. Deze venstertechnologie werd opgenomen in het reutelende Windows. Eind 1987 verscheen de instabiele tweede versie die eigenlijk niet meer was dan een platform voor Microsofts spreadsheet-applicatie Excel. Windows 2 had behoorlijk wat weg van het Macintosh-besturingssysteem en dus nam het woedende Apple juridische stappen. Uiteindelijk liepen die op niets uit. Jobs had het kunstje namelijk ook weer afgekeken. Van Xerox Parc, dat een rechtszaak tegen Apple had aangespannen én verloren om hetzelfde idee van de grafische interface.

Licht op Windows

De samenwerking tussen de ontwikkelteams van Microsoft en IBM verliep gaandeweg steeds stroever. Het softwarebedrijf kronkelde in het ontwikkelkeurslijf van de een, terwijl de hardwarefirma zich ergerde aan de losse, niet zakelijke instelling van de ander. Ondertussen hadden losgeslagen programmeurs binnen Microsoft zich in de marge gestort op het niet dode Windows. Langzaam ontworstelde dat onbetekenende project zich aan de beademingsapparatuur en wist het de aandacht te trekken van roerganger Gates en diens rechterhand Ballmer.
Officieel was er echter niets aan de hand: Windows hing er maar wat bij. Microsoft en IBM verklaarden in 1988 gezamenlijk dat OS/2 de toekomst was voor serieuze, zakelijke toepassingen. Het lichte Windows zou namelijk iets eerder verschijnen dan het zware OS/2 en diende dus als een tussenfase. Applicatie-ontwikkelaars kregen van Microsoft echter te horen dat zij nu maar alvast producten moesten maken voor opwarmertje Windows. Later zouden die programma's op eenvoudige wijze zijn over te zetten naar het échte besturingssysteem van de toekomst: OS/2. Er waren bitter weinig programmamakers die hier op ingingen.
Achter de schermen legde Microsoft echter in toenemende mate de nadruk op Windows, terwijl het IBM suste met zoete woordjes. Dit onderhuids woekerende schisma kwam in mei 1990 naar buiten toen Windows 3.0 verscheen. Deze software was inmiddels beter geworden dan het had moeten zijn. Het aanstaande OS/2 werd voorbijgestreefd en de voorsprong van de populaire Macintosh werd kleiner. Microsoft besefte dat een platform nergens is zonder applicaties, maar het meekrijgen van de grote softwarebouwers was behoorlijk mislukt. Bestaande Dos-programma's functioneerden wel, maar maakten geen gebruik van de nieuwe mogelijkheden die Windows bood. Dus had de leverancier zelf een aantal programma's in elkaar getimmerd die tegelijk met de nieuwe grafische schil werden gelanceerd.
Deze timing trok de aandacht van de Amerikaanse mededingingsautoriteit FTC (Federal Trade Commission). Dat overheidsorgaan vond het wel erg toevallig vond dat Microsoft als enige programma's had voor zijn eigen grafische systeem. Dat riekte naar monopolisering van een markt. Bovendien koesterde de FTC het vermoeden dat de verschillende ontwikkelteams - voor Windows enerzijds en de daarop draaiende programmatuur anderzijds - helemaal niet zo gescheiden waren als wenselijk was. Aldus begon in 1990 het eerste overheidsonderzoek naar de praktijken van Gates & co.

Netwerken en Windows NT

Maar Microsoft had nog andere zorgen. De softwaremarkt voor PC's had eind jaren tachtig een nieuw terrein gekregen: netwerken. Door het geharrewar met IBM's OS/2 had Windows nauwelijks eigen mogelijkheden voor communicatie met andere systemen. Maar dat was ook niet nodig, redeneerden de Microsoft-ontwikkelaars. Want hun grafische schil werkte met technologie van Novell. Die softwareleverancier was in korte tijd opgeklommen tot absolute marktleider voor programmatuur die PC's in netwerken met elkaar verbindt. En netwerken waren de toekomst.
IBM en diens voormalige partner Microsoft hadden dat wel ingezien, maar de gezamenlijke inspanningen op dat gebied waren gewijd aan Lan Manager voor OS/2. En dat was - wat Microsoft betrof - nu toch wel door het putje gegaan. Het bedrijf was dus jaren aan ontwikkelwerk kwijtgeraakt door het opbreken van de relatie met IBM. De groep programmeurs die Lan Manager had ontwikkeld, liet het er echter niet bij zitten. Zo goed en zo kwaad als het ging, ploeterden zij voort om hun eigen technologie aan Windows toe te voegen. Dit karwei zou nog een jaar in beslag nemen, maar dan werd de strijd met Novell aangegaan. Ondanks de achterstand wist Microsoft ook dit gevecht, om de macht over PC-netwerken, uiteindelijk in zijn voordeel te beslechten.
Naast deze ontwikkelingen was Microsoft druk bezig met het inslaan van een andere strategische richting. In oktober 1991 gaf het de eerste publieke demonstratie van Windows NT (New Technology). Dit fonkelnieuwe besturingssysteem werd van de grond af aan opgebouwd en was bestemd voor de lucratieve bedrijfsmarkt. Dit project was oorspronkelijk van de grond gekomen als een zware, toekomstige uitvoering van OS/2. Daar was natuurlijk geen sprake meer van, maar het idee was veelbelovend. Zelfs zo erg dat het werk aan een opvolger voor het in april 1992 verschenen Windows 3.1 ernstig werd gehinderd. Er moesten weliswaar nog wat fouten worden opgelapt en de grafische interface kon nog altijd niet tippen aan die van de Macintosh-computers. Maar dat zou met een jaartje werk opgelost worden door iets wat intern Windows 93 werd genoemd. Een opwaardering dus, niet een echt nieuwe uitvoering. Het was een kwestie van wachten op Windows NT. De schepping daarvan verliep op zijn beurt weer niet zonder diverse oprispingen.

Woedeaanvallen

De dominantie van Microsoft groeide in deze tijd flink. De firma liet PC-fabrikanten contracten tekenen waarmee die bedrijven zich verplichtten ook Windows af te nemen. Anders zouden zij geen MS-Dos meer mogen leveren bij hun machines. In de herfst van 1992 vergroot de FTC de intensiteit van haar onderzoek naar dit soort overeenkomsten. Dit mede vanwege beschuldigingen dat Microsoft informatie over bepaalde programmamogelijkheden van Windows voor zichzelf houdt, zodat de eigen applicaties beter functioneren. En dat benadeelt andere softwareleveranciers die immers geen toegang hebben tot de interne werking van Windows.
Rond het midden van 1993 droeg de FTC de zaak over aan het Amerikaanse ministerie van Justitie. Die instantie begon het hele onderzoek nog eens dunnetjes over te doen, wat bij de eigengereide Gates aanleiding was voor meerdere woede-aanvallen. Zijn humeur werd toch al danig op de proef gesteld door de interne oorlogjes die zijn bedrijf teisterden. Diverse ontwikkelteams en managers-met-visie bevochten elkaar over wat nou de toekomst voor grote netwerken zou zijn. Enerzijds de zogeheten 'kleine bandbreedte' van modemverbindingen naar bestaande online-diensten als America Online en Compuserve. Anderzijds de zogenoemde 'grote bandbreedte' van speciale datakabels naar nog niet bestaande multimedia-aanbieders die bijvoorbeeld interactieve televisie mogelijk zouden maken.
Gates hakte in mei 1993 de knoop van dit dilemma door: de toekomst was aan netwerken met een ontstellende grote bandbreedte. Kenmerkend genoeg gokte hij echter op twee paarden: de topman stelde een kortetermijnplan op voor die nederige modemtjes. Dit tweede paard zou leiden tot de wording van het Microsoft Network (MSN), een online-systeem waar betalende abonnees informatie en amusement konden vinden. Oh ja, er was nog iets dat internet heette en in bepaalde, universitaire kringen populair begon te worden. De Microsoft-leider besloot dat dat nooit wat kon worden; het netwerk was veel te chaotisch en stond open voor alles en iedereen. Daar kon je geen geld aan verdienen.
Terwijl het bedrijf deze strategische keuze uitvoerde, kwam het in juli 1994 eindelijk tot een vergelijk met Justitie. De softwareleverancier wist eraf te komen met een waarschuwing: het moest een officiële verklaring ondertekenen waarin het goed gedrag beloofde. Gates en zijn manschappen waren opgelucht. Nu konden ze weer zonder afleiding werken aan softwareproducten. Windows NT was al uitgekomen, maar bleek simpelweg te zwaar om te draaien op computers voor consumenten. Bovendien was de oplap voor Windows 3.1 ruim een jaar te laat. De koers voor besturingssystemen onderging maar weer eens een wijziging: er zou wél een volwaardige opvolger van het lichte, gewone Windows komen. De markt kreeg de belofte dat dit in 1994 nog het geval zou zijn.

Gates ontdekt internet

Al gauw kwam aan het licht dat de naam van het nieuwe platform niet Windows 4, maar Windows 95 zou zijn. Het tijdschema was duidelijk. De komst van het verbeterde besturingssysteem zou pas in augustus 1995 een feit zijn. Deze keer kwam het uitstel niet alleen voort uit een verkeerde inschatting van de hoeveelheid programmeerwerk. Nee, de ontwikkeling van het besturingssysteem was diverse malen herzien en op de kop gezet doordat Gates zich er persoonlijk mee bemoeide. Hij was namelijk bang.
Begin 1995 besefte Bill dat het door hem weggewimpelde internet wel degelijk iets voorstelde. Vice-president en vertrouweling Steve Ballmer probeerde dit de Microsoft-roerganger al geruime tijd aan het verstand te brengen. De nietige webbrowser-producent Netscape was in de loop van een paar jaar uitgegroeid tot een rijk softwarebedrijf. Wat erger was: het onderliggende idee van de browser kon besturingssystemen wel eens overbodig maken. Dit was een bedreiging voor de Windows-hegemonie! Rood alarm.
Het roer bij Microsoft ging abrupt om en in een noodtempo werd software voor het wereldwijde internet ontwikkeld. Die nieuwe programmatuur diende wel gekoppeld te worden aan vlaggeschip-product en melkkoe Windows. Deze zogeheten integratie vond ook zijn weg in het zwaardere Windows NT, de twee 98-opvolgers van de consumentenuitvoering en het hernoemde NT 5 (Windows 2000).
Deze voorkeur voor het verbinden en gezamenlijk slijten van producten had in het begin van de jaren negentig al de kritische aandacht van de Amerikaanse overheid getrokken. De verklaring van goed gedrag die Microsoft in 1994 had getekend, was in de ogen van Justitie niet bepaald nageleefd. Diverse computerbedrijven, zowel software- als hardwareleveranciers, steunden deze overtuiging met een stroom aan klachten over de harde zakenpraktijken van Microsoft. Aldus begon het ministerie een nieuw onderzoek naar de opgeklommen softwarefirma van Bill Gates. Dit leidde eind 1997 tot de geruchtmakende rechtszaak tegen de grote softwareleverancier.
De overheid roept Microsoft dus op het matje. En de softwarefirma heeft flink wat te stellen met dat gevecht. Justitie - oorspronkelijk bijgestaan door tweeëntwintig staten, nu door twintig - heeft namelijk al flink wat punten gescoord in de langlopende juridische strijd. Zo is rechter Thomas Penfield Jackson al van mening dat Microsoft inderdaad een monopolie is. De cruciale vraag luidt nu of het bedrijf die positie heeft misbruikt, wat strijdig is met de Amerikaanse antitrust-wetgeving. Alle verhoren, getuigenissen en betogen zijn reeds achter de rug. Het wachten is nu op het uiteindelijke oordeel. Of op een mogelijke schikking, wat volgens experts niet zo waarschijnlijk is. Microsoft zou nog teveel van de eigengereide, agressieve houding hebben die de langharige jongeren aan het begin van zijn bestaan koesterden.
 
Veelzeggende uitspraken
"Er is geen enkele reden voor mensen om een computer in hun huis te willen hebben", sprak Ken Olson, president, oprichter en raadsvoorzitter van Digital Equipment Corporation (DEC, tegenwoordig ondergebracht bij Compaq, de eerste fabrikant van kloon-PC's) in 1977.
 
"640K zou genoeg moeten zijn voor iedereen", aldus Bill Gates in 1981 bij de introductie van de IBM PC die middels MS-Dos maar liefst 640 kilobyte aan geheugen gebruikt.
 
"Ik denk niet dat het zo belangrijk is", oordeelde John Roach, president van microcomputer-fabrikant Tandy, in 1981 over de komst van de IBM PC.
 
"Ervoor ontwikkelen? Ik zal erop pissen!", reageert Bill Gates in 1988 op de vraag of Microsoft software gaat ontwikkelen voor de Next-computers van Steve Jobs nieuwe bedrijf Next Corporation (dat Apple in 1996 opkocht, om daarmee de oorspronkelijke mede-oprichter Jobs weer aan boord te krijgen).
 
"Wij zien Windows niet als een lange-termijn grafische interface voor het grote publiek", zei een directeur van Lotus Development tijdens een demonstratie van een nieuwe Dos-versie van spreadsheet Lotus 1-2-3 in 1989.
 
"Dos zal altijd blijven. We weten namelijk hoe gehecht mensen zijn aan Dos", beloofde Brad Silverberg, vice-president bij Microsoft, in 1991 nog.
 
"We zullen OS/2 blijven verbeteren tot zeker het einde van de jaren negentig", sprak Lee Reiswig, directeur bij IBM, in 1991 over de samenwerking met Microsoft.
 
"Ik weet niet of iemand anders wel eens heeft geprobeerd Windows (2.0) op een 286-PC te draaien, maar persoonlijk heb ik liever breinaalden in mijn ogen", luidt het oordeel van IDC-analist Aaron Goldberg over Windows in 1991. Het verbeterde 3.0 voor 386-processors was in mei 1990 op de markt verschenen.

 

Zilveren jubileum Microsoft


Dit artikel is afkomstig van Computable.nl (https://www.computable.nl/artikel/1394888). © Jaarbeurs IT Media.

?


Lees meer over


 
Vacatures

Stuur door

Stuur dit artikel door

Je naam ontbreekt
Je e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×